Dominantietest

Iedereen heeft een dominante hersenhelft. Als je linker hersenhelft dominant is, werk je graag vanuit de delen naar het geheel toe, heb je oog voor details en verwerk je dingen graag op een talige manier. Wanneer je rechterhelft dominant is, heb je overzicht over het geheel, zie je logische verbanden en verwerk je informatie het liefst op een visuele manier.
De dominantie beperkt zich niet alleen tot de hersenen. Je hebt ook een dominant oog en oor, en een dominante hand en voet, waarbij de
niet-dominante zijde ondersteunend is. 
In onze Westerse wereld, waar we van links naar rechts werken, is het meest gunstig als je rechter oog, oor, hand en voet dominant zijn. Dit houdt automatisch een linker dominante hersenhelft in, omdat de hersenhelften ons lijf kruislings aansturen.
Nu zijn er ook mensen met een wisselend dominantiepatroon. Iemand kan een linkeroog- en handdominantie hebben, terwijl het rechteroor, de rechtervoet en de rechterhersenhelft dominant is. Een kind met dit profiel heeft overzicht, kan goed communiceren en is visueel ingesteld. Onder stress of bij het aanleren van nieuwe leerstof blokkeert echter de rechterkant van het lichaam, waardoor het kind minder goed kan bewegen en auditieve informatie niet goed tot zich kan nemen. Er zijn 32 verschillende dominantiepatronen die allemaal, in meer of mindere mate, hun eigen uitdagingen hebben.

Het opstellen van een dominantieprofiel geeft inzicht in de manier van leren, persoonlijkheid en gedrag.
Een dominantietest kan helpend zijn voor een kind dat:
* de letters maar niet geautomatiseerd krijgt.
* moeite heeft met lezen.
* getallen omdraait.
* het klokkijken niet onder de knie krijgt.
* moeite heeft om dat wat het ziet en/of hoort       te verwerken (trage verwerkingssnelheid).
* motorisch onhandig is.
* motorische onrust laat zien.
* onvoldoende ontwikkeling laat zien na inzet         van extra begeleiding op school.

Door oefeningen te doen zetten we in op rijping van het centrale zenuwstelsel om zo de samenwerking tussen beide hersenhelften te optimaliseren. Het kind komt op die manier meer in balans waardoor de ontwikkeling soepeler verloopt en leren makkelijker wordt.    

De rijping van het centrale zenuwstelsel en de verandering van het bewegingspatroon van een kind verloopt volgens Mesker via 4 stadia:
1. De asymmetrische fase, ook wel slurfmotoriek genoemd, die de meeste kinderen tot ongeveer vierjarige leeftijd doormaken. In deze fase geldt dat spierspanning aan één kant van het lichaam zorgt voor spierontspanning in de andere zijde van het lichaam. Er is nog geen bewust besef van boven en onder. Je ziet in deze fase dan ook vaak de verwisseling van de 6 en de 9, de u/n, de b/g en de a/e.
2. De symmetrische fase, die zich ontwikkeld rond het vijfde en zesde levensjaar. Hierbij zie je dat bewegingen aan de linker- en rechterzijde van van het lichaam elkaars spiegelbeeld zijn. Er is in deze fase nog geen weet van links-rechts. De b/d en ie/ei worden als hetzelfde ervaren en het kind heeft nog geen voorkeur ontwikkeld voor een voorkeurshand of voorkeursrichting.
3. De lateralisatiefase, waarbij een kind een voorkeurshand gaat ontwikkelen. In deze fase gaat een kind zijn eigen middellijn oversteken en kunnen de hersenhelften op een steeds complexere manier met elkaar samenwerken.
4. De dominantiefase waarbij een eenzijdige specialisatie van één van de hersenhelften voor een bepaalde functie zichtbaar wordt. De andere hersenhelft is in staat om bij de functies ondersteunend te zijn. Hierdoor kan een kind met alle werkrichtingen uit de voeten.

Wanneer een kind een van de bovenstaande fases niet voldoende doorlopen heeft, is er onbalans en kunnen er moeilijkheden ontstaan bij leren, in gedrag en bij concentratie.